Glasnost

De klimaatbeweging die momenteel door het land mist zijn effect niet: op 5 november stapt minister Schauvliege op nadat ze uitspraken heeft gedaan die niet alleen gelogen zijn, maar sowieso niet door de beugel zouden gekund hebben. Als je je eigen kiespubliek, verenigd door een gemeenschappelijk doel, tot misdadigers degradeert dan is het tijd om op te stappen. De vele tranen van berouw (of omdat ze niet meer mee aan de ruif mag zitten?) bieden dan weinig soelaas.

De opvolger

Eén dag later. De aankondiging dat Koen Van den Heuvel haar opvolger zal zijn voor de resterende tijd van deze legislatuur. Van den Heuvel heeft een opleiding in economie, politiek en filosifie genoten en “heeft interesse in financiën en begroting, binnenlands bestuur, innovatie en werk.” Zijn takenpakket: omgeving, natuur en landbouw.

Ziet u enige overeenkomsten? Ik niet. Dus, waar is deze man zijn cv? De motivatiebrief om deze job te mogen doen? Misschien dat zo de link gelegd kan worden? Helaas, die zijn er ook niet. Zulke benoemingen gebeuren zomaar. Er is geen neutrale derde partij die er controle over heeft. Zo komt het dus dat personen met de verkeerde capaciteiten en zonder visie blijven rondspoken in de hoogste kringen.

De Nationale Bank

De benoeming van Vanackere als directeur van de NBB volgt net hetzelfde principe. Deze benoeming deed al stof opwaaien door de ongelijke verdeling van mannen en vrouwen in het bestuur, maar ik kom er graag nog eens op terug in het kader van mijn verhaal. Vanackere was minister van Financiën en Buitenlandse Zaken. Ik neem aan dat dat geldt als motivatie voor zijn benoeming.

Maar is dat echt wel relevante ervaring? Een minister heeft immers een heel kabinet onder zich die feitelijk het werk voor hem of haar doet. Wetteksten e.d. worden tot hapklare brokjes samengevat. Vragen uit het parlement worden beantwoord door een heel regiment ambtenaren, waartussen zich de echte experts bevinden. Het zou me niet verbazen dat ministers soms nog niet half snappen wat ze nu eigenlijk aan het zeggen zijn.

Lokaal: last man standing

Op lokaal niveau een bestuur samenstellen met de juiste competenties is quasi onmogelijk, maar ook hier is er een enorme doorn in mijn oog naar openheid toe: hoe kan immers onze democratie geloofwaardig zijn als één persoon decennialang burgemeester kan zijn?

Je kan het oneens met me zijn, maar ik geloof er sterk in dat de mens van nature zwak is: wie van de macht proeft gaat vroeg of laat voor de bijl, zelfs de meest zachtaardige politicus. De focus verschuift van het “wij” naar het “ik” en dat moet geëlimineerd worden. Een maximumtermijn van 6 opeenvolgende jaren sjerp dragen vind ik daarom een must, maar ik zou het liefst nog korter zien.

Wil je een voorbeeld van wat in mijn ogen onterecht gebruik van macht is? Bij de heraanleg van Wiekevorst werd een verkeersremmende maatregel bestendigd op het openbaar domein. Twee parkeerplaatsen zorgen er vanaf nu voor een wegversmalling in het dorp en tijdens de zomer worden deze parkeerplaatsen omgetoverd tot terras van café ’t Centrum…toevallig het stamcafé van de heer burgemeester.

Ik vind het heel erg dat ik deze brave middenstander in het verhaal moet betrekken, want uiteindelijk proberen zij enkel maar hun boterham te verdienen met hun zaak. Toch zie ik twee zware overtredingen op een goed bestuur en een technisch bezwaar:

  1. Voor mij is dit nepotisme, ongeacht dat de zaak een belasting moet betalen. Ik wil ook wel graag een terras op kosten van de gemeente voor mijn deur;
  2. Concurrentievervalsing naar de andere middenstanders toe, zoals De Verwant en ’t Straatje. Zij hebben zelf moeten investeren in een terras en dragen dus het financiële risico. ’t Centrum zou de investering zelf niet kunnen doen door de ruimtelijke context, maar eerlijkheidshalve moet er gezegd worden dat zij een zaaltje kunnen verhuren voor 120 personen. Dat hebben de andere twee zaken niet. Het één compenseert dus het ander;
  3. Standaard is het volgens de wegcode (artikel 24.7) verboden te parkeren nabij een kruispunt, hoewel een bestuur dat kan aanpassen. Ik vind dat het op deze plaats de veiligheid zeker niet ten goede komt, gezien de rooilijn zo dicht tegen de rijbaan ligt en de doorgang erg smal is.

Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het hun onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid :

 in de nabijheid van de kruispunten, op minder dan 5 meter van de verlenging van de naastbijgelegen rand van de dwarsrijbaan, behoudens plaatselijke reglementering;

Transparantie!

Wanneer een (politieke) positie met veel verantwoordelijkheid vrij komt, dan vind ik dat er net als bij elke andere job de mogelijkheid moet bestaan om cv + motivatiebrief in te dienen, zodat u en ik een kans hebben om hiervoor de solliciteren. Via een online formulier moet het vandaag de dag mogelijk zijn om op voorhand de kandidaturen te filteren, zodat de administratie en duurtijd bij zo’n aanstelling beperkt blijft.

De kandidaten die na de selectie overblijven worden dan op de rooster gelegd door een onafhankelijke derde partij, waarbij het gesprek live wordt gestreamd op internet. Zo kan iedereen die dat wil (pers, burger,…) volgen wat er gezegd wordt. Het dwingt zowel de sollicitant als de derde partij goed te motiveren waarom zij een kandidaat juist wel of niet geschikt vonden als er eenmaal witte rook is. Dergelijke transparantie lijkt mij niet minder dan correct tijdens een aanstelling zoals die van Vanackere, die bruto 337.000 euro belastinggeld per jaar gaat verdienen bij NBB.

Advertenties

Geplastificeerde komkommers

Enkele weken geleden sprak ik al van de hype over een nieuw ruimtelijk beleid, waar ik graag mee een boompje over op zet. Er is vorig jaar echter nog een andere bewustwording in een stroomversnelling geraakt: die van het plastic in onze waterlopen, zeeën en oceanen.

Sinds 2013, na de opstart van The Ocean Cleanup viel het me al op dat er zowel politiek als economisch diverse partijen uit hun lethargie ontwaakten. Goed gedaan kerel! Het administratieve vliegdekschip “Europa” had wel tot mei 2018 nodig om deze awakenings om te zetten in concrete acties. Hun idee: om oa plastic bestek, wattenstaafjes en rietjes volledig te bannen. De regelgeving werd na wat vijven en zessen effectief goedgekeurd in december.

De bekendmaking in mei valt in Vlaanderen, nagenoeg koploper inzake afvalverwerking, niet in dovemansoren. In juli komt minister Tommelein met het idee om zwerfvuil terug te dringen via een (eenvoudig?) quotasysteem voor bedrijven. Grappig, want in de maanden daarvoor spartelt zijn partij en N-VA hevig tegen wanneer minister Schauwvliege statiegeld op blikjes en petflessen wil invoeren. Het systeem voor glazen flessen dat reeds decennia lang bestaat blijkt onvoldoende als proof of concept. Ook de 103 miljoen euro per jaar aan opruimkosten die de gemeenten grotendeels zouden uitsparen is tot op heden geen argument gebleken.

Tenslotte springen Lidl en Carrefour nog voor de goedkeuring op de kar door proactief op de nieuwe regelgeving in te spelen . Opportunisme pur sang, want mag ik even het ballonnetje doorprikken en mij luidop afvragen waarom dit vijf jaar geleden uit eigen beweging niet gerealiseerd kon worden?

Cosmetica

Het punt dat ik eigenlijk wil maken: terwijl politici en bedrijven om ’t hardst roepen: “ik ga het milieu redden” is de meerderheid van de maatregelen die hieruit volgen (als ze al volgen) effectgericht en niet brongericht. Je verschuift of verstopt het probleem in plaats van het definitief op te lossen.

  • Statiegeld is effectgericht: het is een zéér goed instrument dat ervoor zou kunnen zorgen dat petflessen niet in het milieu terecht komen, maar fundamenteel zorgt het er niet voor dat er minder stuks van gemaakt worden.
  • Tommelein zijn voorstel is een halve maatregel en is een echo van dezelfde vervuilingsproblemen die de EU aanpakt, vrij onorigineel dus. Over bijvoorbeeld microplastics wordt niets gezegd en die zijn minstens even gevaarlijk voor het aquatisch milieu.
  • Ook de profetische aankondiging van Lidl en Carrefour is een druppel op een hete plaat. Kijk naar mijn komkommer en andere groenten/fruit met een compleet overbodige verpakking. Ook dat is wegwerpplastic. Mijn proefopstelling hieronder, cijfers (1) (2) en een zeer bescheiden aanname dat slechts 10% verpakt wordt leidt nog tot 210 ton plastic per jaar, enkel voor komkommers.

 

Ik heb vaak het gevoel dat het de consument is die zogezegd gestuurd moet worden als het over duurzaamheid en winkelen gaat. Ik stel evenwel vast dat ik vaak de keuze niet heb om een plasticvrij alternatief te kopen als ik in de winkel sta. Tenzij ik naar een zeldzame verpakkingsvrije winkel ga. Dus wie moet er hier eigenlijk gestuurd worden?

Bioplastics?

Bedrijven die hun verpakking echt niet kunnen missen, kunnen al sinds 1989 biologische alternatieven gebruiken. Met 6,6 miljoen ton in 2017 is deze industrie helaas nog altijd maar goed voor een schamele twee procent van de wereldwijde plasticproductie.

Waarom? Een gebrek aan een wetgevend kader. Eerst en vooral aan de aanbodzijde, waardoor een hele waaier aan producten ontstaat met onderling slechts kleine verschillen. Aan de vraagzijde is er geen beleid dat verplicht om biodegradeerbaar materiaal te gebruiken waar dat kan. De bioplasticindustrie zit zo met te kleine volumes om competitief te kunnen zijn met hun petrochemische grote broers. Er is bijgevolg ook nauwelijks financiële ruimte om een doorgedreven productontwikkeling te doen, want de huidige generatie bioplastics zijn zeker nog niet de heilige graal. Misschien een idee om hiermee aan de slag te gaan?

Conclusie

De transitie naar minder (klassiek) plastic is ingezet en de bewustwording onder de mensen komt op stoom. De retroactieve aanpak op beleids- en distributieniveau; en de soms conservatieve standpunten geven me evenwel het gevoel dat er nog te veel plastieken figuren aan de knoppen zitten. Het is wachten op de eerste grote speler die resoluut een nieuwe koers durft varen, op een gezuiverde oceaan weliswaar.

komkommer

 

Ruimtelijk Structuurplan Heist 2.0

Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen verplicht onze gemeente om een nieuw ruimtelijk beleidsplan op te stellen. Dit nieuwe plan zal het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan dat reeds van 2001 dateert vervangen. Voor mij was dit een aanleiding om gedurende de tweede helft van 2018 in mijn vrije tijd en als ik er eens zin in had zelf de oefening een keer te maken (ja, toewijding bestaat).

Hoewel het totaalplaatje verre van af is, alleen al door voortschrijdend inzicht, vond ik het toch het juiste moment om het een en ander te publiceren: wie weet kan het onze kersverse coalitie een beetje inspireren bij aanvang van hun legislatuur. Omdat een blog geen dissertatie is, houd ik het bewust oppervlakkig, maar dat doet in sommige gevallen afbreuk aan achterliggende denkpistes of associaties.

De bouwstenen

Hoewel gemeenten bij opmaak van een RUP (ruimtelijk uitvoeringsplan) niet meer moeten letten op het gewestplan, ben ik toch hiermee gestart, maar wel in een sterk vereenvoudigde vorm. In principe zijn er maar vier hoofdfuncties te onderscheiden: woongebied, industriegebied, landbouwgebied en natuurgebied. De kritiek die ik het meest gelezen heb is dat het gewestplan veel te scherp deze functies afbakent (en te royaal is geweest met woongebied). Dat heb ik opgelost door “overgangsbestemmingen” in te voeren en ze een definitie te geven. Een grafisch overzicht hieronder:

Indeling van bestemmingen

Zowel Aw als Wa zijn geschrapt omdat het wenselijk is deze functie af te bouwen. De facto zal deze situatie wel blijven bestaan aan de rand van sommige kernen.

De indeling

De volgende stap: hoe ga ik deze bestemmingen nu objectief toepassen op mijn gemeente? Ik heb daarvoor verschillende kaarten op elkaar gelegd en gezocht naar gebieden die volgens één of meerdere criteria een coherent geheel vormen. De kaarten die ik hiervoor heb gebruikt zijn het gewestplan, het kadaster, topografische kaarten, het Sigmaplan, het erfgoedportaal, hydrografische kaarten en kaarten over overstromingsgevoeligheid.

Voor de grotere woonkernen paste ik de werkwijze toe voor buurtindelingen in Nederland: elementen zoals de spoorweg, grotere waterlopen en hoofdwegen zijn hier grenzen. Het enige wat ik niet hebben kunnen toetsen is of de sociale cohesie en bijvoorbeeld wijkwerking van de lokale politie op deze manier ook gerechtvaardigd wordt. Je weet nooit of ook die link ooit nog van pas komt.

Een uitzondering op alles vormen de bedrijven die weliswaar geregulariseerd zijn, maar evengoed niet op hun plaats liggen (je moet een kat een kat noemen). Zij behoren tot geen enkele wijk en vragen speciale aandacht. Deze aparte plekjes kunnen op termijn fuseren met een omringende wijk als zij een nieuwe bestemming hebben gekregen (denk aan Casa in Itegem). Het mag geenszins de bedoeling zijn de locale economie te verdrijven, enkel faciliteren indien zij zelf het signaal geven te willen verhuizen.

Ik kom zo aan 188 “wijken” verdeeld over 24 “buurten”. Buurten komen zo vaak als mogelijk overeen met kadastrale secties, omdat die niet zelden een historische achtergrond hebben (cfr. Bernum dat in 1876 van Heist naar Itegem verhuisde en sectie D in de deelgemeente vormt). Een deel is echter gevoelsmatig ergo subjectief tot stand gekomen. Alle 212 gebieden hebben een eigen werknaam, gebaseerd op toponiemen. Hieronder een overzicht.

Buurten Wijken
Booischot 3 30
Hallaar 3 22
Heist-op-den-Berg 6 56
Itegem 5 27
Schriek 3 30
Wiekevorst 4 23

Op kaart ziet dit er zo uit:

Het puzzelen

De kunst was om alle wijken die een hoofdbestemming hebben eerst aan te duiden. Vervolgens puzzelde ik de overgangsbestemmingen er tussen zodat alles zo veel mogelijk vloeiend in mekaar over gaat. Vanuit mijn opleiding is een natuurtechnische blauwdruk voor mij het makkelijkste om mee te starten:

Tesamen met de primaire woonzones en industrie die zichzelf min of meer uitwijzen:

 

Dan volgt de verweving, dat werkt als volgt:

  • Wijken grenzend aan natuurgebieden gaat zo veel mogelijk over in natuurgebied met extensieve landbouw en dan ecologische landbouw (d.i. naar stijgende intensiteit van landgebruik)
  • Wijken grenzend aan woongebieden gaat zo veel mogelijk over in functies met een uitgesproken groen karakter: dit kan zowel landbouwkundig als ecologisch zijn. Dit is niet echt nieuw.

…en tenslotte zones voor intensieve landbouw:

Ik heb de landbouwzones als laatste ingevuld, maar men mag zich er niet in vergissen dat het deze sector is samen met de natuur die in mijn aanpak het geheel aan mekaar bindt.

Door de verweving krijg je vanzelfsprekend een multifunctioneel ruimtegebruik, waardoor het areaal per bestemmingstype groter is dan het misschien lijkt:

Tot op perceelsniveau

De laatste, meest gedetailleerde stap is een inkleuring tot op perceelsniveau, welk eigenlijk niet meer of minder is dat het opstellen van een RUP per wijk. Hier kan verfijnd worden met de criteria die ik in begin achterwege liet (KMO zones, bos, waardevol landschap, etc…). Ik heb helaas niet voldoende informatie en kennis om dit correct en volledig toe te passen. De volgende kaarten zijn dus slechts een zeer goede maar geen exacte benadering voor de wijk “Beursplekken”, welk ik als voorbeeld heb genomen:

Weergegeven is de situatie volgens het gewestplan; de huidige werkelijkheid en een toekomstscenario:

Door de oefening te maken kan de gemeente te weten komen hoeveel grondkapitaal per bestemming er in elke wijk verdwijnt of bij komt:

Overzicht_Beursplekken

Dit is vooral interessant om een schatting te kunnen maken van de kost indien instrumenten zoals de planologische ruil of planschaderegeling worden toegepast, maar ook waar de opportuniteiten zitten om een ruil van gelijke waarde uit te voeren. Tevens kan bij een vierde optie, de ruilverkaveling, zo veel mogelijk lokaal worden gewerkt zodat boeren niet te ver van hun huidige grond moeten gaan bewinnen.

Merk ook op dat ik een bepaald stuk openbaar domein heb geschrapt. Geïnspireerd door de andere Kris Peeters met zijn stelling “weg weg” kunnen er inderdaad wel wat straatjes verdwijnen op lange termijn; als we de weg naar een beter ruimtelijk management onderweg niet verliezen.

Opinie: een ondergrens op afbraak

50 jaar geleden werd de beschermde status van de waterburcht Ter Borght in Itegem opgeheven. Het kasteel moest plaats maken voor een woonzorgcentrum. Enkel een hoektoren van de vroegere vestingwerken bleef gespaard.

Destijds primeerde afbraak en vernieuwing dus op behoud en integratie. Ik denk dat het vandaag toch net iets anders zou zijn. Maar dan kwam de vraag in mij op: wat als de hype van een innovatief ruimtelijk beleid (met als recentste hoogtepunt het Ruimterapport Vlaanderen) vandaag opnieuw leidt tot dergelijke beslissingen waar we binnen 50 jaar meewarig op terugkijken? Kunnen we dat vermijden?

Buiten1

Back to the future

Eerst even wat achtergrond en verduidelijking. In 2040 komt er de aangekondigde standstill in het ruimtebeslag van Vlaanderen: de betonstop. Daarna zal het er op aan komen te recycleren wat we hebben aan bebouwde ruimte. De overheid werkt al enkele jaren aan een toepassing, het Ruimtemodel Vlaanderen, om zeer gedetailleerd te simuleren wat er vandaag is en wat ons te wachten staat in de toekomst.

Eerder deze week verscheen dus het eerder genoemde Ruimterapport, gebaseerd op deze toepassing. Daaruit bleek dat het erg gesteld is met het Vlaamsche land, oa de 13.000 kilometer  lintbebouwing die veel hoger is dan gedacht, sprong eruit. Diverse partijen zoals Bond beter Leefmilieu reageerden daarop om lintbebouwing en verspreid wonen actief terug te dringen. Ik ben blij dat dit tegenwoordig mag gezegd worden en pleit mee voor deze transitie. De Vlaams bouwmeester smelt beide visies vaak samen in de boutade dat we naar het Toscaanse model moeten streven: zeer compacte kernen in een ecologische/agrarische open ruimte.

Buiten2

Het “gevaar” komt dus van twee kanten: langs de ene kant de betonstop, langs de andere kant het terugdringen van het verspreid wonen. Bij een te enge interpretatie van de stelling van de Vlaams Bouwmeester denk ik dat we ons traditioneel landschap gaan verliezen (hoewel ik niet rouwig ben dat het betonplaten kot aan de einder dan verdwijnt). In de landelijke dorpen kan hetzelfde gebeuren met de burgerlijke architectuur door de verappartmentisering.

The Origin of Houses

Ik pleit daarom voor een simpele en objectieve regel: als een woning bij akte ouder is dan 1-1-1950, laat het dan staan. Het broddelwerk in alle geuren, kleuren en stijlen is immers pas begonnen na WO II met de opkomst van de consumptiemaatschappij. Met deze regel verdwijnt alsnog het overgrote deel van de lintbebouwing, maar voorlopig niet die huizen die historisch deel uitmaakten van de streek.

 

Baken in ieder dorp en stad ook een historische kern af, waar je niet alleen dezelfde oorspronkelijke architectuur bewaard, maar ook terug grijpt naar diezelfde traditionele stijlen in nieuwbouwprojecten. Dat klinkt ouwbollig maar is best hip. New Urbanism en New Classical architectuur (niet te verwarren met neoclassicisme) zijn twee zoektermen wil je er meer over te weten komen. Ik geef hieronder een idee van twee projecten die de principes toepassen: Jakriborg in Zweden en Brandevoort in Nederland:

 

In een latere fase, wanneer de effecten van het nieuwe beleid duidelijk worden, kan dan beslist worden welk van deze woningen gesloopt moeten worden en welke niet. Een minderheid aan niet-landbouwers zal in het scenario hierboven dus voorlopig op het platteland kunnen blijven wonen. Dat hoeven geen welgestelde mensen te zijn, want dat wonen zal een keerzijde hebben, waardoor de vraag misschien lager is dan je zou verwachten:

  • Op termijn zelfvoorzienend zijn. De maatschappij moet de infrastructuurkost niet blijven betalen, want dat is net de opzet van het uitdoven van wonen in buitengebied.
  • Ook de eenzame ligging, tegen dan veel fundamenteler dan vandaag, is zeker niet voor iedereen weg gelegd.

Tot slot mijn dank aan het Documentatiecentrum van Bokrijk voor hun opzoekingswerk naar het Itegemse Ter Borght. De foto’s van de buitenkant dateren van 1963. De foto’s van het interieur zijn van de gecoördineerde afbraak (?) in 1973. Ter Borght bleef tot 1995 “gedemonteerd” aanwezig op de site van Bokrijk. Nadien werd het om een onbekende reden verkocht aan een antiekhandelaar. Gone with the wind.

Toren_Ter_Borght_Itegem

Een tweede paaldorp

Wiekevorst, het tweede kleinste dorp van onze gemeente, heeft toch best wel wat te bieden. Ze hebben een Olympische vedette, de jaarlijkse Landbouwdag en een verguld afgietsel van de afdruk van Kris Peeters zijn achterwerk nadat hij in 2010 van zijn paard viel.

Dat laatste is niet waar hoor.

Sinds kort kunnen passanten ook een vernieuwd dorpscentrum aanschouwen:

20181209_134729.jpg

Bij een dergelijke vernieuwing krijgt elk kerkdorp in de gemeente een eigen karakter. Wiekevorst wordt hierbij een drempelloos dorp, om de toegankelijkheid voor de vele rolstoelgebruikers van RVT Sint-Jozef naast andere minder mobielen te optimaliseren dixit gemeentebestuur. Het is een nobel idee waar ik mee achter sta, want Vlaamse straten kunnen echt een uitdaging/survival tocht zijn voor een rolstoelgebruiker.

Zo gezegd zo gedaan. Het dorp heeft inderdaad geen enkele boordsteen met een verhoog meer. De scheiding tussen rijweg en voetpad wordt aangegeven door middel van grote blokken blauwe hardsteen die tot nader order naadloos aansluiten aan de overige infrastructuur.

20181209_134621.jpg

Helaas duikt er in een dergelijk ontwerp een universele constante op:

De mens is een lui wezen, hij kiest steeds de gemakkelijkste weg.

Begrijp me niet verkeerd: ik maak me er zeker ook schuldig aan. Het schijnt zelfs iets evolutionair te zijn. Het verlagen van boorden verlaagt ook de “drempel” om de scheiding tussen rijweg en voetpad te respecteren.

Het gevolg is dat je dagelijks bewoners/bezoekers ziet die op het voetpad staan geparkeerd. Je krijgt dan taferelen zoals op onderstaande foto’s, waar op het moment van opname auto’s rechts ten opzichte van de rijrichting staan, terwijl de parking aan de overkant volledig vrij is. (Dit was misschien  eerder op de dag niet zo). Het belevingsplein aan de linkerkant van de kerk leek meer een belevingsparking.

 

De redding is nabij

Het goede nieuws is dat dit maar een tijdelijk fenomeen is. Het bestuur gaat namelijk in de eindfase met paaltjes strooien. Grote vreugde, want dan kan ook Wiekevorst zich meester maken van het kegelspel en is er voor het eerst een waardig tegenstander voor Itegem binnen de gemeente.

Alle gekheid op een stokje voor wie Itegem niet kent: ook dit dorp heeft slechts bescheiden boordstenen. Deze zijn volledig afgebakend door paaltjes. Het is een lopende rekening en zorgen sinds dag één voor kritiek. Ik ben ze persoonlijk gaan tellen: 220 stuks waarvan er op dat moment 19 kapot waren of ontbraken (en dan ben ik mild geweest).

Vanuit mijn werkervaring weet ik waar gemeentebesturen zoal hun mosterd halen. Toch heb ik niet de prijs van de exacte paaltjes kunnen terugvinden, jammer, dus het is onder voorbehoud dat ik zeg dat een vergelijkbaar donkergrijs exemplaar zonder reflectors bij een andere leverancier verkocht wordt voor €140+ excl. BTW per stuk. Dat is nog erg goedkoop. Ik ben hoo…Wat? Jawel, zoveel voor een onnozele paal…Ik ben hoopvol en denk dat de herstellingen vandaag nog op kosten van de aannemer zijn aangezien de definitieve oplevering nog niet gebeurd is; maar daarna komt het dus zeker uit eigen zak.

Overgewicht

Het probleem met de paaltjes in Itegem is eigenlijk voer voor een apart blogbericht. Toch is het zo indicatief voor wat Wiekevorst te wachten staat dat ik het in dit bericht heb meegenomen. Een grote boosdoener is het massaal negeren van de zone +3,5 ton. De infrastructuur is er niet op berekend en dat zie je aan de bestrating en op plaatsen waar manoeuvres gedaan worden:

 

Wat ik niet begrijp is dat het studiebureau dit niet heeft zien aankomen: even het GRS bovenhalen en het blijkt direct dat zeker tot aan de opmaak van het document in 2001 een deel van Itegem-centrum tot de ontsluiting van het vrachtverkeer behoorde:

GRS.png

Met de huidige inzichten naar leefbaarheid is dat terecht achterhaald. Maar men is dat zo gewoon en paaltjes gaan dat niet zomaar veranderen. Tegelijk heeft men geëist dat het centrum volledig ontsloten wordt door openbaar vervoer, dus het vrijeruimteprofiel moet zowat gelijk zijn aan dat van een vrachtwagen. Een moeilijke oefening.

Toch verbaast het me dat zowel bestuur als het volgende studiebureau voor het ontwerp in Wiekevorst en cours de route niets heeft bijgeleerd uit de situatie in Itegem. Want zoals je op dezelfde kaart kan zien is ook Wiekevorst een knooppunt voor vrachtverkeer. Dat knooppunt wordt gescheiden door een centrum van 400 meter, terwijl de eigenlijk te volgen route 2,3 km bedraagt. Moet ik nog meer zeggen?

Oplossingen?

Kritiek spuien is makkelijk, maar ik wil met mijn blog meer zijn dan de gemiddelde oppositiepartij. Dus wat is een mogelijke oplossing? Kostelijk maar het meest eenvoudig is een digitale vrachtwagensluis: in Oostkamp, Hoogstraten en buurgemeente Putte hebben ze zoiets al.

Ik heb zelf een andere oplossing in gedachte. Het is zo dat de vrachtwagensluis niet meer is dan wat dure camera’s die het verkeer scheiden op basis van de voertuighoogte en nummerplaatherkenning. Waarom kunnen we niet hetzelfde proberen met een goedkopere fysieke barrière? Een overzicht van de hoogtes van enkele voertuigen die ik snel op ’t internet kon vinden:

Voertuig

Hoogte (m)

Vrachtwagen met container 4,00
Lijnbus Citaro 3,08
Lijnbus VanHool A300 3,46

De leerlingen metaalbewerking van de Heistse scholen zouden als project een aantal poorten kunnen maken waarbij ik zeg maar iets de doorrijhoogte beperkt wordt tot 3,6 meter. Hoe lager hoe beter. Zo moeten vrachtwagens wel rondrijden, maar kunnen lijnbussen wel hun vaste traject blijven rijden. Dit hoeft geen lelijke of zware constructie te zijn: cortenstaal is een erg mooi en duurzaam metaal (Heistse KMO’s in de zaal die beter advies hebben?) om maar iets te zeggen. Maar ook de houders kunnen zodanig uitgewerkt worden met plantenbak en lattenwerk dat er bijvoorbeeld geurige klimrozen in geplant kunnen worden:

Vrachtwagenpoort

Enfin, bovenstaande geeft een ruw idee, maar er zijn mensen die het veel beter kunnen schetsen dan ik. Eén strategisch geplaatste constructie zou in Itegem al voldoende moeten zijn om het doorgaand verkeer tegen te houden, zonder dat Casa en Leenbakker (via Hallaarstraat of Krombeekweg) of Markabo (via Schoolstraat of Kerkstraat) onbereikbaar worden:

KaartItegem

Conclusie

Wiekevorst-dorp is net zoals Itegem-centrum voor transitverkeer slechts een kleine hindernis om een grote omweg te vermijden. Oplossingen zijn er, maar moeten dan wel genomen worden. Als er niet wordt ingegrepen zal het zorgdorp Wiekevorst er binnenkort een zorg bij hebben.

Financiën en fusies

Op 1 januari 2019 zal Vlaanderen acht gemeenten minder tellen, doordat in totaal vijftien gemeenten zullen transformeren in zeven nieuwe samenwerkingsverbanden.

De fusies worden sterk aangemoedigd en gesponsord door de Vlaamse Overheid. Zij beloven namelijk een schuldverlichting voor elke gemeente die vrijwillig fuseert. De vergoeding komt neer op 500 euro per inwoner, met een maximum van 20 miljoen euro per fusie. Dat is een flinke hoop geld. Hoe komt het dan dat er niet meer gemeenten zijn ingegaan op dit billijke voorstel?

Naast het cliché antwoord dat het verlies van posten gemeentebesturen tegenhoudt om samen te gaan, is het gewoon niet zeker dat een fusie echt wel voordelen oplevert op lange termijn.

Eerder deze week nog trok de VVSG aan de alarmbel omdat de nieuwe gemeentes de administratieve last niet alleen kunnen dragen. Ook hiervoor al waren er her en der kritische commentaren te horen, zoals deze interessante opinie van Peter Reekmans.

In Nederland, fusieland bij uitstek, zie je enkel nog de restanten van wat ooit gemeenten met een eigen verhaal en karakter waren, nu samengevoegd onder een kunstmatige nieuwe vlag, wapen en motto. In de grootste gemeenten, zoals Súdwest-Fryslân en De Friese Meren zijn sommige burgers tot drie kwartier onderweg naar hun gemeentehuis. Hou er rekening mee dat deze gebieden relatief dunbevolkt zijn en geen verkeersproblematiek kennen zoals wij die hier in Vlaanderen ervaren. Voor een betere dienstverlening moeten we het dus niet doen. Ook over de positieve financiële impact rijzen er twijfels.

Fondsenwerving

À propos, die financiële impact is een van de belangrijkste argumenten van Vlaanderen voor een fusie. Als je ziet hoe gemeentes vandaag aan hun geld komen schrik ik daar niet van, maar stel ik me ook de vraag of een fusie ook maar iets gaat veranderen.

Neem nu onze gemeente Heist-op-den-Berg en haar OCMW (exclusief het autonoom gemeentebedrijf). Zij hadden in 2017 een totaal budget van 69,5 miljoen euro om te besteden aan haar werking. Hiervan komt…

  • 8,6 miljoen euro (12%) uit het gemeentefonds;
  • 13,6 miljoen euro uit de opcentiemen van de onroerende voorheffing (20%);
  • 13,1 miljoen euro (19%) uit de aanvullende belasting van de personenbelastingen.

FinanciënHeist

Samen zijn deze drie grote inkomstenposten goed voor ongeveer de helft van het totale budget.

Het gemeentefonds is een soort cadeautje van onze hogere overheid. Gemeenten mogen er vrij over beschikken. Het is een vehikel dat sinds begin jaren 90 in de huidige vorm bestaat. De spaarpot, waar in 2017 2,5 miljard euro in zat, heeft een verdeelsleutel als volgt:

  • De centrumsteden Antwerpen en Gent hebben recht op ongeveer 40% van de pot;
  • De steden met meer dan 50.000 inwoners mogen ongeveer 15% procent van het bedrag verdelen. Turnhout valt hier uit de boot;
  • Alle andere gemeenten + Turnhout verdelen de overige 45% volgens een verdeelsleutel gebaseerd op een hoop criteria.

Zoals eerder gezegd ontving Heist 8,6 miljoen euro; 204 euro per inwoner. De stad Antwerpen kreeg in hetzelfde jaar ongeveer 660 miljoen euro, 1269 euro per inwoner. Het totale budget van onze gemeente was dus slechts één negende van wat Antwerpen enkel nog maar uit het gemeentefonds betaald kreeg. Zelfs met het onweerlegbare feit dat Antwerpen andere en meer uitdagingen heeft dan onze gemeente en er meer van verwacht wordt in zijn dagdagelijkse functie als centrumstad (een terechte opmerking van mijn collega, bedankt!) is de verdeling toch enigszins absurd te noemen.

Bij de personenbelastingen zien we hetzelfde scenario. Heist kreeg ruim 13 miljoen euro, Vlaanderen ging met bijna het veertienvoudige (177 miljoen) lopen.

De opcentiemen op de onroerende voorheffing is de enige inkomstenbron die ik kon vinden waarbij de gemeentes substantieel meer ontvangen dan de hogere overheden. Er zijn er misschien nog anderen.

Met de toenemende mate dat gemeenten functies en taken krijgen toegewezen van hogere overheden, zonder dat er evenwel geld volgt; én de vaststellingen die in Nederland worden gedaan, moet er misschien toch eens nagedacht worden vooraleer onze politici een gedwongen fusie opdringen.

Herenthout en haar erfgoed

Als we onze open ruimte die nog rest willen vrijwaren dan is een mogelijke oplossing daarvoor dat we onze bestaande woonkernen moeten verdichten. De kleine plakjes landbouwgrond tussen het woonweefsel worden verkaveld en bestaande diepe percelen worden waar mogelijk opgesplitst en voorzien van de nodige infrastructuur.

Het bestuur van Herenthout lijkt alvast een deel van die boodschap goed te hebben begrepen: inderdaad zijn er de laatste jaren veel onbebouwde binnengebieden verkaveld. Ik denk dan aan de projecten Cardijnlaan, Uylenberg, Bergense Steenweg en Hooghuis.

Aan deze laatste verkaveling gaat de gemeente nu echter nog een stapje verder. Voor de goede orde: Hooghuis kreeg haar naam door het aanpalende Hooghuys, een prachtig stuk 16de eeuws erfgoed met een parktuin van meer dan anderhalve hectare.

Een oase van groen als deze is geknipt voor tal van ecosysteemdiensten: sociale cohesie als ontmoetingsplek, wandelplek of speelterrein voor kinderen. Het milderen van de temperatuur (hitte-eiland) door zijn microklimaat. De bomen die de luchtvervuiling filteren. Een stapsteen voor fauna en flora tussen de Merodebossen en de Maasloopvallei, enz…

Er is ook een positief financieel effect. VITO onderzocht het mechanisme hiervan. Het is vrij eenvoudig; de prijs van vastgoed in een zekere omtrek stijgt, trekt vervolgens mensen met een hoger inkomen aan en daaruit haalt de gemeente meer middelen om andere publieke investeringen te doen. Dit proces is niet nieuw, het draagt de naam gentrificatie en wordt bijvoorbeeld in Antwerpen met grof geld (MAS, het Zuid,…) en op grote schaal verwezenlijkt. Het is mooi om zien, maar de minder bedeelde inwoners zijn er helaas wel het slachtoffer van.

Voor alle duidelijkheid: deze ecologische piste heeft het bestuur van Herenthout niet gekozen. Jammer. In plaats daarvan is de parktuin met grote machines totaal plat gelegd en verrijzen binnenkort appartementen en penthouses. De huidige aanblik van het statige pand oogt verloren in het eens zo prachtige domein:

 

Maar er is volgens mij meer dan het gentrificatieproces alleen om te duiden waarom dit geen goede beslissing was. In de dorpskern zelf, op de Markt, werd pand nummer 2 en 3 ook afgebroken voor blokkendozen. Op de Itegemsesteenweg werd een fraaie villa verpulverd voor een toekomstige residentie. Ongetwijfeld liggen er nog projecten op de plank.

In al deze gevallen gaat het over panden die niet beschermd waren. Terecht, je kan niet alles beschermen. Het is evenwel beangstigend te zien hoeveel van onze 19de eeuwse en vroeg 20ste eeuwse bebouwing verdwijnt. Ze voldoen niet meer aan onze eigentijdse behoeftes. Maar vormen zij in landelijke dorpjes niet net de troef? Een door esthetiek gevoede aantrekkingspool voor dagjestoerisme?

 

Want waarom willen jij, ik en buitenlanders immers Brugge gezien hebben? Omdat het Groot-Handelsdok zo pittoresk is om in rond te lopen? Waarom spreekt Gent met zijn torens zo tot de verbeelding? Omdat de Electrabelcentrale buiten het centrum een bedevaartsoord is? Nee, het zijn de stadscentra waar we ons aan willen vergapen, al dan niet met onze winkelwaar in beide handen, bij een glaasje of een warme maaltijd. Dit kan dankzij de middenstand die hier investeert en zich vestigt, omdat het volk waarvan zij leven er ook is.

Het is een positieve wisselwerking, die al lang heel erg goed begrepen wordt. Wist je dat de meeste gevels op de Antwerpse Grote Markt amper 120 jaar oud zijn? De meest recente gevel dateert van 1969! In de Brusselse binnenstad vind je vergelijkbare 19de eeuwse verfraaiingswerken en imitatiearchitectuur. Veeg dat weg en het toerisme implodeert. Recent onderzoek toont trouwens aan dat we ons gelukkiger voelen als de omgeving waarin we wonen mooi is (1) (2).

Ik zie in Herenthout een centrum dat in snel tempo dergelijke aantrekking verliest, op die week Carnaval na dan voor de liefhebbers. Geen troeven trekt ook geen ‘kijkers’ aan en bloedt economisch dood. Is dat echt de koers die Herenthout wil varen?

Of er met het nieuwe bestuur een trendbreuk komt is twijfelachtig, want de eigenaar van de residentie op de Itegemsesteenweg is…de nieuw verkozen burgervader.